zondag 8 december 2013

Rudolf Steiners sociaal-organische basisidee voor een nieuwe economische orde


Noot vooraf door de uitgever - Deze tekst werd in het gebouw van de firma L.C. Nungesser in Darmstadt op uitnodiging van Dhr. Eisele op 7 mei 1982 als voordracht uitgesproken voor een kring van wetenschappers en antroposofen, waarvan de spreker aannam dat die zich reeds in de sociale organica verdiept hadden. Waar hier dit niet het geval is, verwijzen we naar de twee eerder gepubliceerde sociaalorganische studies van de spreker, te weten “De rechtvaardige prijs - Wereldeconomie als sociale organica” en “Geldordening als bewustzijnskwestie - Een nieuw financieel stelsel vereist een nieuw beschavingsprincipe”. Alle ondertitels hier en in de volgende teksten stammen van de uitgever om de doorwrochte inhoud wat overzichtelijker en toegankelijker te maken.
Na een welkomstwoord aan de “geachte aanwezigen, beste vrienden” zette de spreker het volgende uiteen (de onderverdeling en ondertitels stammen van de vertaler):

Inleiding - een tweevoudige opgave

Iets naar voren te brengen wat fundamenteel nieuw is, zie ik niet als mijn opgave, want wij hebben de voor ons tijdperk richtinggevende basisideeën op sociaaleconomisch gebied aan Rudolf Steiner te danken.[1] Toch kan het in de verste verte niet voldoende zijn om deze ideeën slechts te herhalen en systematisch te combineren. Want het is immers duidelijk dat op sociaal en economisch gebied een schat aan louter theoretische wetenswaardigheden evenzo nutteloos en vruchteloos is als een alleen op het meest voor de hand liggende succes gericht handelen, waaraan echter het overzicht van een grotere samenhang omvattende kennis ontbreekt.

De wereldsituatie heeft zich echter sinds de tijd dat Rudolf Steiner zijn ideeën uitsprak op een ongehoorde en aanhoudend ongehoorde manier veranderd. En het zou niet overbodig maar zeer leerrijk en passend zijn ten einde ons voor de herhaling van rampzalige fouten te behoeden, om te vragen hoe de verhoudingen in de wereld zouden zijn veranderd, wanneer de ideeën van Rudolf Steiner beter begrepen en verdedigd en überhaupt geaccepteerd zouden zijn geweest. Een directe beantwoording van deze vraag kan ik vandaag niet geven; een indirecte bijdrage daaraan hoop ik echter wel te leveren.

Het daarmee aangesneden retrospectief (men spreekt immers toch op een veel te beperkte wijze van het innerlijk verwerken van het verleden) ondervinden wij vandaag de dag niet als onze meest urgente aangelegenheid, het prospectieve schijnt ons gezien de bestaande noodsituatie en de zich aftekende catastrofen veel belangrijker. Desondanks beschouw ik het onderzoeken van de geschiedenis vanuit alternatieve gezichtspunten als een onontbeerlijk middel van zelfkennis en zelfonderzoek – juist dan wanneer we met voldoende zelfkritiek onze inzetbaarheid op dit moment willen beoordelen.

Maar terug naar onze huidige opgave. Gezien de veranderde wereldsituatie lijken mij ten opzichte van de basisideeën en basisleerstellingen van Rudolf Steiner twee gezichtspunten zeer urgent te zijn:
1. Lukt het ons om het centrale element in het sociaaleconomische ideeënstelsel van Rudolf Steiner eenvoudig, maar ook ruimdenkend genoeg te bevatten?
2. Wat zou hieruit, indien dat zou lukken, voor onze huidige situatie voortkomen, voor onze behoefte om vanuit voldoende inzicht en overzicht te handelen?

Hoewel dus de vraag: “Wat kunnen we doen?” – hoewel niet altijd expliciet – door mijn uiteenzettingen heen loopt, zou ik nog eerst een andere opmerking willen maken. Deze mag wellicht aanvankelijk theoretisch schijnen, heeft echter een strikte betrekking op datgene wat ik graag naar voren wil brengen.

De denkfouten en het zelfbedrog van 
de huidige natuur- en sociaalwetenschap

We staan voor een eigenaardig paradox, wanneer we tegenwoordig de wijdverspreide opvattingen voor de geest halen die als oordeelscriteria ingeburgerd zijn. Aan de ene kant wordt de waardevrijheid van de zogenaamde exacte wetenschap geëist en benadrukt. Aan de andere kant wordt de waardebinding van de maatschappelijke oordelen en maatregelen met de grootste stelligheid verdedigd. Wat de waardevrijheid van de huidige (qua onderwerp of slechts kennishouding) natuurwetenschappelijke onderzoeksmethode betreft, pleegt men te beweren dat haar resultaten waardeneutraal zouden zijn, een waardegehalte en een voor bepaalde waarde-instanties bevredigende verantwoordingsplicht zou pas door de toepassing daarvan, dus pas door de manier van omgang van de mensen daarmee toegekend worden. Aan de andere kant eist men de binding van alles wat op sociaaleconomisch gebied gedacht en gedaan wordt aan bepaalde waarden, zoals sociale rechtvaardigheid, levenskwaliteit, zelfverwezenlijking etc.

Het is in onze context niet onnodig om de denkfout en het zelf-bedrog aan te tonen die in beide gevallen in het spel zijn. Het huidige materialistische natuuronderzoek is geenszins waardevrij, zoals wordt beweerd. Want er wordt als enig onderzoeksterrein dat van de ziel- en geestloze materiële deeltjes en krachten verondersteld, waarbij de levensverschijnselen als gecompliceerde materiële fenomenen beschouwd worden, al het zielsmatige en geestelijke als epifenomenen, bijverschijnselen. Deze veronderstelling, die een definitie van de werkelijkheid als een zuiver materieel Zijn weergeeft, is een verkapte beoordeling. Want alle kennisinspanningen die niet op het materiële zijn gericht, worden waardeloos verklaard, terwijl aan het onderzoek van het materiële de enige en hoogste kenniswaarde wordt toegedicht. Als gevolg van de wereldomvattende macht van de moderne natuurwetenschappelijke denkwijze verbreidt zich in de huidige mensheid een ultieme beoordeling van alle op het materiële gerichte interesses en behoeftes, die overeenstemt met een cultuurnihilistische beoordeling van de gevoelswaarden en het niet aan materiële doeleinden gebonden geestesleven. Dit vooruitlopen op een fundamentele waardebepaling oefent een geweldige ideologische invloed in de richting van onmenselijkheid uit. Het is de primaire onmenselijkheid, van waaruit pas de secundaire onmenselijkheden bij de toepassing van wetenschappelijke en technische resultaten verklaarbaar worden.

Indien men dus de zogenaamd waardevrije wetenschap en techniek tegenover de toepassing daarvan verdedigt, die de toets van het aanleggen van waardecriteria uiteraard niet doorstaat, dan ziet men dus de voorafgaande fundamentele waardebepaling over het hoofd.

Indien anderzijds in het huidige economische en maatschappelijke leven bepaalde waardehoudingen en waardebindingen gepostuleerd worden, waarvan men beweert dat ze overeenstemmen met een direct menselijk zelfbesef, dan maakt men zich wederom schuldig aan een bedenkelijke denkfout, zelfbedrog en het niet rekening houden met iets wezenlijks. Hier werkt min of meer onbewust de voorstelling van vervreemding mee. Dientengevolge heeft een mens die geen toegang heeft tot een bepaalde consumptiesector, geen mogelijkheid zich volledig te ontplooien. De uiterlijke omstandigheden zouden, indien ze niet sociaal rechtvaardig zijn, hem dus door het consumptiedeficit een vervreemd bestaan opdringen.

In feite zit de zaak volledig anders in elkaar. We hebben gezien dat bij de beoordeling van enige gedragwijzen en handelingen onder de indruk van een zogenaamde waardevrije wetenschap de voorafgaande grondleggende waardebeoordeling over het hoofd gezien wordt. Bij de tegenwoordig gangbare waardebinding van het sociaal-maatschappelijke oordeel wordt daarentegen de zijn achtergrond vormende, uiteraard vergaande onderbewuste wetenschapsrichting en –overtuiging over het hoofd gezien. Deze is nu geenszins een zodanige die in staat zou zijn om de mens tegen de beweerde vervreemding te beschermen. Veeleer betekent deze juist de fundamentele zelfvervreemding die de mens op een zuiver materieel bestaan van zichzelf evenals van de hem omringende wereld vastlegt. Hieruit blijkt dat de vereiste waardecriteria en waardebindingen een bijna uitsluitend consumptieve interesse- en behoefterichting niet slechts toestaan en behoeden, maar als het ware broeikas-achtig cultiveren.

In het ene geval wordt dus de fundamentele cultuurnihilistische waardebepaling, in het andere geval de vervreemdende wetenschapsinvloed bij de gangbare beoordeling over het hoofd gezien. De dragende grond van deze geweldige, achter de schermen van het maatschappelijke leven actieve invloeden wordt door de materialistische waardebepaling en werkelijkheidsvoorstelling gevormd. Daardoor wordt echter ook een bepaalde verhouding tot de beide hoofdsoorten van de productie, de bij de natuurgrondslag aanzettende en de geestelijke productie, vastgelegd.[2] De bij de natuurgrondslag beginnende productie dient er in die zin voor te zorgen dat een zo uitgebreid mogelijk consumptiepatroon voor de lichamelijke behoeftes van de mens is gegarandeerd. En de geestelijke productie, dus de ontwikkeling van vaardigheden, moet de middelen voor de fabricatie en het bereiden van het consumptieaanbod verschaffen; de menselijke vaardigheden moeten dus direct of indirect voor de lichamelijke behoeftes van de mens ingezet worden.

We willen dit dus voor later bewaren, omdat deze relatie ons juist als vervolg op de vraag wat hier en nu gedaan zou kunnen worden, weer bezig zal houden.

De uitschakeling van de menselijke factor door de 
grootste macht ter wereld – de materialistische wetenschap

Ik heb om te beginnen op de materialistische infiltratie van onze beschaving gewezen en de twee daarmee verbonden vooroordelen en veronderstellingen vanuit twee bijzonders kenmerkende gezichtspunten, die uiteraard door vele andere voorbeelden verder zouden kunnen worden geïllustreerd. Er is daarmee naar mijn overtuiging een probleem gekarakteriseerd dat men in ogenschouw moet nemen als men overwegingen over sociaal handelen wil opstellen. Ik zou deze voorafgaande problematiek in twee termen willen samenvatten:

A. Het vooruitlopen op de fundamentele waardebepaling in de wetenschap en
B. De wetenschapsafhankelijkheid van het aansprakelijkheidsdenken

Het moet niet al te moeilijk zijn om in te zien dat in deze karakterisering de verklaring ligt voor een van de meest bedenkelijke en schrikbarende symptomen van het huidige wangedrag in het scala van publieke en privébesluiten. Dit symptoom, dat ons allen duizelig maakt wanneer we de actieradius en de steeds weer optredende gruwelijke gevolgen ervan voor de geest halen, is het gebrek aan toekomstperspectief en toekomstvaardigheid.

Wat heeft men niet allemaal voorzien en wat zou men allemaal (ook al was het niet in zijn volle omvang, dan toch in de zich aftekenende gevarenbron) hebben kunnen voorzien! Ik hoef u nauwelijks aan de ecologische en grondstoffenproblemen te herinneren. Dit gebrek aan vooruitziende blik is het resultaat van de eliminering van de menselijke factor, die voortvloeit uit het gekarakteriseerde complex van symptomen. De Britse schrijver Graham Greene[3] heeft met de hem eigen troosteloosheidsgenialiteit deze uitschakeling van de “menselijke factor” als symptoom van onze tijd in een roman gekarakteriseerd die terecht wereldberoemd is geworden. De gebrekkige toekomstvaardigheid, waarvan de oorzaak de uitschakeling van de menselijke factor is, verzamelt niet alleen in de buitenwereld een enorm potentiaal aan catastrofen, maar bezet ook de menselijke binnenwereld met onzekerheid, ontevredenheid en gebrek aan motivatie en bevordert de bereidheid om drugs en/of geweld te gebruiken.

Daarom lijkt mij, eer stappen nemen om een uitweg te vinden, een toetsing van de prioriteit van onze motieven noodzakelijk. Zeker, een verbetering van de wantoestanden op vele gebieden is met slechts een klein portie goede wil mogelijk. En omdat wij daarbij allemaal min of meer mede betrokken zijn, zal nauwelijks iemand niet zulke inspanningen kunnen toestemmen. De vraag daarbij is alleen of men, als men zich op deelsbelangen, speciale gevallen vastlegt, niet het wezenlijke uit het oog verliest, een grotere door een kleinere verantwoordelijkheid verdringt en zich uiteindelijk een helemaal scheve zichtwijze eigen maakt. Deze vraag te stellen is des te dringender omdat een geweldige macht, de grootste macht ter wereld zich als doel heeft gesteld om de menselijke factor uit te schakelen en er met alle middelen en op alle levensgebieden de onmenselijkheid doorheen te jagen. Op een andere manier kan men de materialistische wetenschap niet karakteriseren. Wanneer we dus de vraag stellen (en de overeenkomstige wilsimpulsen ontwikkelen): “Wat kunnen we doen?” en daarbij aan kleine of wellicht ook zeer omvangrijke veranderingen van de algemene situatie waarin we verkeren denken – dan zouden we, geloof ik, niet moeten vergeten, dat de allerbelangrijkste vraag is: “Willen we de menselijke factor weer tot zijn recht laten komen? Willen we het onze eraan bijdragen daaraan een centrale geldigheid te geven die in alle aspecten van ons leven tot uitdrukking komt?” Dit betekent tegelijk de moed en de besluitvaardigheid om tegen de geweldige macht van de ontmenselijking in te gaan die zich voordoet als de materialistische denkwijze. De vragen, die volgens mij boven elk particulier of deelactivisme uitgaan, luiden m.i. daarom:

1. Willen we de menselijke factor weer tot zijn recht laten komen?
2. Willen we de wereldmacht van de ontmenselijking tegengaan?
3. Welke inzichten hebben we nodig om in deze strijd uitgerust te zijn?
4. Hebben we de moed om ons voor wat we hebben ingezien zonder compromis in te zetten?

Deze vragen schijnen mij op de centrale vraag te wijzen die vóór alle andere met vastberadenheid beantwoord moet worden. 

De drievoudige kardinale vraag van het economische leven

Rudolf Steiner heeft het er vaak over gehad wat hij als de centrale of kardinale vraag van het sociale en economische leven beschouwt. Deze uitspraken dekken elkaar geenszins qua tekst en zienswijze, maar, ook al is het wellicht niet meteen inzichtelijk, stemmen echter precies met elkaar overeen. Ik kan ze hier niet volledig naar voren brengen, maar het lijkt me nuttig om een aantal daarvan in herinnering te roepen:

Rudolf Steiner heeft aan een van zijn voordrachten de titel “De kardinale vraag van het economische leven” gegeven. De voordracht werd in het jaar 1921 in Kristiana gehouden.[4] Het betoog van deze voordracht werd door de opstelling van een tegenspraak uiteengezet: de fundamentele eis van economische vooruitgang en de noodzakelijke eisen van economisch succes worden tegenover elkaar gesteld. Als de fundamentele eis van economische vooruitgang wordt de beoefening van individuele vaardigheden; als de noodzakelijke eisen van economisch succes wordt de arbeidsdeling, dus in bredere zin coöperatie beschreven. Het individueel georiënteerde staat dus tegenover de universeel georiënteerde interesse. Waar de roep naar socialisme luid klinkt, komen geen productie- maar consumptiebelangen tot uitdrukking. Deze zijn altijd geheel individueel van aard. Nu is de paradox dat achter de consumptiebelangen, in zoverre dat daarin een aanspraak op individuele ontplooiing wordt gedaan, enerzijds vooruitgangskrachten staan. Anderzijds zijn deze krachten door hun consumptieve oriëntatie remkrachten, omdat ze door hun naar zelfverzorging strevende doelstelling de prestatie-inzet beperken, die qua tendens onbeperkt is, indien het algemene belang het doel is. De consumptieve motivatie heeft dus uiteindelijk een demotiverend effect. Daardoor raakt ze in tegenspraak met de universeel georiënteerde eisen van economisch succes, die door de arbeidsdelende dienst aan de ander, de vreemde (Fremddienlichkeit) wordt bepaald.

Het arbeidsdelende proces komt in een soortgelijke paradox terecht. Want het werkt zijn eigen succesprincipe tegen voor zoverre het de ontplooiing van individuele vooruitgangskrachten onderdrukt. Uit deze dubbele paradox ontstaat de taakomschrijving, de kardinale vraag van het economische leven die de harmonisering van afwijkingen vereist. Hierop geeft Rudolf Steiner, nadat hij volgens zijn methodische gewoonte het probleem in een getransformeerde verschijningsvorm naar voren heeft gebracht, aan het einde van zijn voordracht een definitief antwoord: “De kardinale vraag van het economische leven is dit: hoe moeten m.b.t. kapitaal, grond en bodem, meting en waardering van menselijke arbeid, het staatsleven en het geestesleven zelfstandig in het zuivere economische leven inwerken, opdat in het economische leven door de inrichting van associaties weliswaar niet een aards paradijs, maar een mogelijk sociaal organisme wordt gecreëerd?” Het antwoord ligt bij deze in de vraagvorm geklede formulering in het woord “zelfstandig”. Door hun verzelfstandiging kunnen de systemen van het sociale organisme tot een zodanig samenwerken worden gebracht dat, juist door hun relatieve onafhankelijkheid, de als aanleg in hun aanwezige, tegenstrijdige tendens in evenwicht wordt gebracht. De driegeleding is dus het antwoord.

Beschouwt men dit antwoord geïsoleerd, zonder op de specifieke eigenschappen van de onderverdeelde functionele samenhang te achten waarop het berust, dan zou het kunnen lijken dat het slechts onder het gezichtspunt van economische efficiëntie wordt gegeven. Want het lijkt alsof er een aanwijzing voor de best mogelijke afschaffing van de remmingen gegeven wordt die het economische succes kunnen schaden. Daarbij zou het kunnen lijken alsof het oogmerk niet op de herintroductie van de menselijke factor wordt gericht, waarbij door dit soort beantwoording van de kardinale vraag juist de hoofdvraag onbeantwoord blijft.

Maar laat mij het overzicht over Rudolf Steiners uitspraken die de hoofdvraag betreffen nog iets verder doorvoeren. De vroegste sociaalwetenschappelijke uiteenzettingen van Rudolf Steiner bevinden zich in de artikelen "Antroposofie (vroeger Theosofie) en het sociale vraagstuk"[5], oorspronkelijk in de jaren 1905/1906 in het tijdschrift "Luzifer-Gnosis" verschenen. Ze zijn nog steeds als het meest pregnante te beschouwen dat we van Rudolf Steiner bezitten. Ze drukken de kardinale vraag driemaal, d.w.z. onder drie gezichtspunten uit:

De sociale hoofdwet

1. Om te beginnen als de sociale hoofdwet, die bij gelegenheid ook als een zodanige van het occultisme, d.w.z. van de door Rudolf Steiner vertegenwoordigde geesteswetenschap, wordt genoemd. Het is een wetmatigheid van de geesteswetenschap, omdat het in tegenstelling tot de stoffelijke wetenschap staat en, zoals we nog zullen zien, alleen geesteswetenschappelijk onderbouwd kan worden.
.
Staat u het mij toe dat ik deze wet, hoewel het u wel bekend is, nogmaals in zijn formulering door Rudolf Steiner hier onder de aandacht breng:

"Het heil van een geheel van samenwerkende mensen is des te groter, hoe minder de enkeling zichzelf de vruchten van zijn prestaties toeëigent d.w.z. hoe meer hij van deze vruchten aan zijn medewerkers afstaat, en hoe meer zijn eigen behoeftes niet van zijn eigen prestaties, maar uit de prestaties van anderen worden bevredigd. Alle instellingen binnen een menselijke samenleving die in tegenspraak met deze wet zijn, moeten op de langere termijn op de een of andere manier nood en ellende veroorzaken."

2. Zoals ik al zei, de sociale hoofdwet behoeft een geestesweten-schappelijke onderbouwing. Indien de mens, zoals het materialisme leert, slechts een gecompliceerde materiële machine (met enkele ten opzichte van haar wrijvingsloze functie slechts storende epifenomenale effecten) is, dan kan hij slechts belang in de zelfbehoudende zelfverzorging hebben. Want dit is immers zijn oorsprong: Hij is het zeldzame combinatie-effect, dat onder de talloze mogelijke materiële groepenvormingen juist een zodanig systeem deed ontstaan dat tenminste korte tijd zich tegenover de invloeden van de omgeving kan doorzetten en deze vaardigheid aan soortgelijke zelfregulerende systemen kan doorgeven. Zelfbehoud en zelfverzorging als oorsprong en overlevingsprincipe. Een vreemden dienend interesse jegens enkele exemplaren of soortverwante systemen kunnen zulke mechanismen alleen ontwikkelen, indien dit nuttige productie-omwegen van diens zelfreproductie zijn. Men gebruikt hiervoor het woord slimheidsmoraal [Klugheidsmoral], maar het zou passender zijn om hier van zelfreproductie-omweg te spreken. Deze productie-omweg weerspreekt de sociale hoofdwet zowel in zijn motivering als in zijn effect. Want het beperkt de prestatie-inzet tot de eigen behoefte en verarmt die, omdat die de uitstralingen daarvan in de totale behoefte vergaand verhindert.

Rudolf Steiner voert hierover de volgende motiverende onderbouwingen uit (zie boven):
"Daarvoor is echter één voorwaarde noodzakelijk. Wanneer een mens voor een ander werkt, moet hij in deze andere de rede voor zijn arbeid vinden; en wanneer iemand voor de gehele samenleving dient te werken, moet hij de waarde, de aard en de betekenis van dit geheel beleven en voelen. Dat kan hij pas dan, wanneer deze samenleving nog iets heel anders is dan een meer of minder onbepaalde som van individuen. Ze moet van een werkelijke geest vervuld zijn, waaraan een ieder deelneemt. Ze moet zo zijn dat een ieder tegen zichzelf zegt: ze is juist en ik wil dat het zo is. De samenleving als geheel moet een geestelijke missie hebben; en een ieder moet willen bijdragen opdat deze missie wordt vervuld. Al die onbepaalde, abstracte vooruitgangsideeën waarvan normaliter sprake is, kunnen een zodanige missie niet zijn. Indien slechts deze circuleren, zal een enkeling hier of een groep daar werken zonder dat deze een overzicht hebben waarom hun arbeid nuttig is, anders dan dat zij en de hare of daarnaast nog de belangen waaraan ze hangen, daarbij hun rekening vinden. - Tot in het kleinste detail moet deze geest van de samenleving levendig zijn. Goede dingen hebben van oudsher slechts kunnen gedijen waar op een of andere manier een zodanig leven van de geest der totaliteit vervuld was. De individuele burger van een Griekse stad uit de oudheid, zelfs ook die van een vrije stad  uit de Middeleeuwen had zo iets als minstens een donker gevoel van zo'n holistische geest. Het is geen tegenwerping dat bij voorbeeld de dienovereenstemmende instellingen in het oude Griekenland alleen mogelijk waren, omdat men een leger van slaven had, die voor de vrije burgers het werk verrichtten en die daartoe niet door die heersende geest werden gedreven, maar door de dwang van hun meesters. - Aan dit voorbeeld kan men slechts het enige leren, dat het menselijke leven aan ontwikkeling onderhevig is. Tegenwoordig heeft de mensheid een niveau bereikt waar een zodanige oplossing van het maatschappelijk vraagstuk, zoals dat in het oude Griekenland heerste, onmogelijk is. Zelfs de edelste Grieken vonden de slavernij geen onrecht, maar een menselijke noodzakelijkheid. Derhalve kon bij voorbeeld Plato een staatsideaal opstellen waarin de geest der samenleving vervult wordt doordat de meerderheid  van de arbeidsmensen door de weinige  inzichtelijken tot arbeid gedwongen wordt. De opgave van de huidige tijd echter is dat een ieder vanuit zijn innerlijkste drijfveer het werk voor de samenleving verricht."

De wilsimpuls in de zin van de sociale hoofdwet behoeft daarom een geesteswetenschappelijke motivatie. Daarvoor is echter nog een derde element nodig.

3. De derde formulering die Rudolf Steiner aan de kardinale vraag in de genoemde context geeft, is de volgende (zie boven)
"Het enige wat kan helpen is een spirituele levensbeschouwing die door zichzelf, door wat ze te bieden heeft, zich in de gedachten, in de gevoelens, in de wil, kortom in de gehele ziel van de mens inleeft. Het geloof dat [de Britse sociale hervormer] Robert Owen heeft gehecht aan het goede van de menselijke natuur is slechts gedeeltelijk juist, voor het overige is het echter een van de ergste illusies. Het is in zover juist dat in elk mens een hoger zelf sluimert dat gewekt kan worden. Maar het kan slechts uit zijn sluimer verlost worden door een wereldbeschouwing die de bovengenoemde eigenschappen heeft. Brengt men mensen dus in de instellingen zoals die door Owen gedacht waren, dan zal de gemeenschap in de mooiste zin gedijen. Brengt men echter mensen samen die een zodanige wereldbeschouwing niet hebben, dan zal het goede van de instellingen na een kortere of langere periode geheel noodzakelijkerwijs in het slechte moeten verkeren. Bij mensen zonder een zich op de geest richtende  wereldbeschouwing moeten namelijk noodzakelijk juist die instellingen die materiële welvaart bevorderen ook een stijging van het egoïsme veroorzaken en daardoor ook nood, ellende en armoede. - Het is in de meest innerlijke zin van het woord juist: Alleen het individu, de enkeling kan men helpen door hem alleen brood te verschaffen; een samenleving kan men alleen brood verschaffen doordat men haar helpt om tot een wereldbeschouwing te komen. Het zou ook totaal geen nut hebben, indien men in een samenleving een ieder individu brood zou willen verschaffen. Na enige tijd zou de zaak dan toch weer zo uitpakken dat velen weer geen brood hebben."

Een verder (zie boven):
“Het belangrijkste is uiteraard dat een ieder de wegen zoekt naar een zodanige wereldbeschouwing die zich op ware kennis van de geest richt. De antroposofische geestesrichting kan zich tot een dergelijke opvatting voor alle mensen ontwikkelen, indien ze zich steeds meer uitdrukt in overeenstemming met haar inhoud en wat als aanleg in haar aanwezig is. Door haar kan de mens beleven dat hij niet toevallig op een of andere plaats en op een of andere tijd geboren is, maar dat hij door de geestelijke wet van oorzaak en gevolg op die plek is gezet waar hij zich bevindt. Hij kan inzien dat zijn welonderbouwde lot hem in de mensengemeenschap heeft geplaatst waarbinnen hij is. Ook van zijn vaardigheden kan hij zich bewust worden dat ze hem niet van blind ongeveer zijn toebedeeld, maar dat ze een zin hebben binnen die wet van oorzaak en gevolg.
Een hij kan dat alles zo inzien dat dit inzicht niet slechts een nuchtere zaak van het verstand blijft, maar dat het geleidelijk zijn hele ziel met innerlijk leven vervult. Het gevoel zal bij hem opgaan dat hij een hogere zin vervult, indien hij in de zin van zijn plaats in de wereld en in de zin van zijn vaardigheden werkt. Geen wazig idealisme zal uit dit inzicht ontstaan, maar een machtige impuls van al zijn krachten, en hij zal dit handelen in een zodanige richting als zo vanzelfsprekend aanzien als in een ander opzicht eten en drinken. En verder zal hij de zin onderkennen die met de menselijke gemeenschap is verbonden waartoe hij behoort.  Hij zal de verhoudingen begrijpen waarin zijn gemeenschap zich tegenover andere plaatst; en zo zullen de individuele zielen van deze gemeenschappen zich tot een geestelijk beeld van de eendrachtige missie van het hele menselijke geslecht samenvoegen . Een vanuit het menselijk geslecht zal zijn kennis kunnen overslaan naar de zin van het aardse bestaan."

De kardinale vraag wordt dus hier in een drievoudige formulering uitgesproken, ze wordt onder de drie gezichtspunten van de menselijke zielenkrachten van het denken, voelen en willen toegelicht.

De sociale hoofdwet wordt als de wilsimpuls van de dienstbaarheid aan de ander, de prestatieschenking en daarmee de bereidheid om het hele eigen wezen aan een gemeenschapswerk te schenken.

Maar de wilsimpuls moet echter doorwarmd, doorgloeit zijn van een ervaringsmotivatie, de pulsslag van het gevoelsleven dat in de mensengemeenschap en  haar creatieve werkzaamheid een allerhoogste en edel doel ziet. De blik en de belevende deelname zijn niet op een fysieke maar op een spirituele gemeenschap gericht.

Maar de wilsimpuls en de gevoelsmotivatie moeten onderbouwd worden door een spirituele wereldbeschouwing. Deze is pas dan een werkelijk spirituele, indien ze de mens als een geestelijk wezen begrijpt dat zich in de doorgang door zijn incarnaties binnen een zinvol lot zelf verwezenlijkt. En deze zin van de menselijkheid, de stapsgewijze zelfverwezenlijking binnen een zinvol levenslot is ook de zin van het aardse bestaan.  Want dit is de  kosmologische grondslag van de menselijke ontwikkeling met als doel de voleindigde individuatie, de vrijheid.

Op deze wijze wordt hier de herinvoering van de menselijke factor in haar volle betekenis en werkzaamheid als de kardinale vraag van het sociale en economische leven uitgesproken,

Het valt welzeker niet te ontkennen dat in deze uiteenzettingen de kiem van de driegeledingsidee al duidelijk naar voren komt:

1. In de sociale hoofdwet de broederlijke wilsimpuls van het economische leven;
2. In de ervaring van het voor alle mensen gelijke toebehoren bij de geestelijke eenheid van de mensheid van de gevoelsimpuls van het rechtsleven;
3. In de spirituele opvatting van het mensenwezen en de zin van het aardse bestaan van de vrijheidsimpuls van het geestesleven.

Hoe kunnen de huidige psychische problemen overwonnen worden?

Deze kiem van de driegeledingsidee, ook als herinvoering van de menselijke factor, wordt in Rudolf Steiners voordracht “Hoe kunnen de psychische problemen van de huidige tijd overwonnen worden?” (Zürich, 10 oktober 1906)[6] op een soortgelijke manier uitgesproken. Daar wordt tegelijk benadrukt dat het autoriteitsgeloof en de afhankelijkheid daarvan, die groter is dan ooit, de grootste belemmering is voor het herinvoeren van de menselijke factor. Het wordt ook duidelijk te verstaan gegeven dat het anti-menselijke, met de grootste machtsvolkomenheid uitgeruste autoriteit het materialisme is, dat uiteraard in verschillende verschijningsvormen en vermommingen optreedt. In de genoemde voordracht wordt met grote nadruk van de menselijke factor als het allerbelangrijkste gesproken. Er wordt, zoals gezegd, in het drieledige aspect als het belangrijkste gekarakteriseerd dat in ons vijfde na-Atlantische tijdperk[7] tot zijn recht dient te komen: De drie aspecten van de menselijke factor (welke tegen de heersende onmenselijke autoriteit verdedigd en doorgevoerd moeten worden) zijn:

Sociaal begrip van mensen, vrijheid van denken en levendige kennis van de geestelijke wereld door de geesteswetenschap.

Zo wordt het in die voordracht uitgedrukt. De verhoudingen moge zeker duidelijk zijn: Zonder sociaal begrip van mensen, d.w.z. een onvooringenomen, onopzettelijk, vrij van sympathie and antipathie, ingaan, op de medemenselijke individualiteit is dienst aan de ander noch te verwachten noch te onderbouwen. Want deze dienst aan vreemden, die tot onbeperkte prestatieschenking bereid is, betekent immers de inzet van de eigen arbeidskracht daarvoor en op die wijze dat andere mensen hun vaardigheden zo omvattend mogelijk kunnen ontplooien. Vrijheid van denken is juist de voorwaarde voor een leven in een geestelijke gemeenschap. Want alleen in vrijlatende gezindheid en achting voor de overtuiging van elk mens is gemeenschap mogelijk. Het zich buigen onder de dwang van een autoriteit veroorzaakt echter onverdraagzaamheid tegen andere overtuigingen. Een de uitoefening van mentaliteitsdwang vertrouwt niet op de in elk mens opkomende gemeenschapsvormende krachten, maar wil door onderdrukking van het individuele de samenhang onder mensen met uiterlijke middelen bewerkstelligen. Levendige kennis van de geestelijke wereld door geesteswetenschap is het begrijpen van het menselijke wezen, de betekenis van zijn bestaan en de zin van het aardse bestaan, waarover ook die vroege opstellen spaken. De overeenstemming ook met het oog op de driegeleding is onmiskenbaar.

De sociale hoofdvraag in Rudolf Steiners cursus Wereldeconomie

Om mijn overzicht enigszins af te ronden, lijkt het mij noodzakelijk nog kort in te gaan op welke wijze Rudolf Steiner de sociale vraag in zijn sociaal- en economisch wetenschappelijk hoofdwerk “Wereldeconomie”[8] uit 1922 karakteriseert.

Deze cursus is, zoals Rudolf Steiner zelf steeds weer benadrukt, een uiteenzetting over het vraagstuk van de rechtvaardige prijs, de winning van het inzicht door welke maatregels de economische processen zodanig bestuurd kunnen worden dat rechtvaardige prijzen ontstaan. Men zou het een cursus over prijsvormende sociaal-organische bestuursmaatregelen kunnen noemen. De prijsvorming wordt dienovereenkomstig als het brandpunt van sociaal-organische effecten en het oogpunt van sociaalwetenschappelijk inzicht beschouwd. Er zou dus wederom de indruk kunnen ontstaan alsof de zienswijze voornamelijk door de interesse aan de economische doelmatigheid wordt bepaald.  Deze moet weliswaar sociaal gerechtvaardigd zijn, want het resultaat van de prijsvorming dient immers een rechtvaardige te zijn. De vraag schijnt echter onbeantwoordt te blijven wat überhaupt de zin van de menselijke arbeidsprestatie is, wat voor zin het aardse bestaan van de mensen heeft en daarmee ook het bestaan van de aarde. De menselijke factor schijnt dus niet in aanmerking te komen. Ook bij (prijs)-rechtvaardigheid schijnt de zinsvraag onbeantwoord te blijven. Wezenlijk is echter dat er zonder zingeving, d.w.z. geestelijke wereldbeschouwing, geen economische rechtvaardigheid bestaat.

Laten we om te beginnen de meest belangrijke, eenduidige uitspraken van Rudolf Steiner ietwat preciezer bekijken, voordat we verder op dit vermoeden ingaan.

Ik mag u uiteraard door een enkel citaat, onder vele andere, eraan herinneren met welke nadruk Rudolf Steiner het prijsvraagstuk als de beslissende vraag meteen aan het begin van zijn sociaalwetenschappelijk betoog aanduidt. Het citaat bevindt zich aan het begin van de 2de voordracht van de cursus, waarmee na de inleidende 1ste voordracht de eigenlijke sociaalwetenschappelijk uiteenzetting begint. Het luidt:

“De kwestie van prijs is eigenlijk de kwestie waarop uiteindelijk de belangrijkste economische discussies meten uitlopen; immers in de prijs culmineert alles wat in de economie eigenlijk aan impulsen aan krachten werkzaam is.“

Aan het begin van de 6de voordracht van de cursus herhaalt Rudolf Steiner dan de “prijsformule” die reeds in zijn boek “De kernpunten van het sociale vraagstuk”[9] aangevoerd werd. Deze prijsformule luidt: “Een juiste prijs is voorhanden indien iemand voor een product dat hij vervaardigd heeft, zoveel als tegenwaarde ontvangt dat hij zijn behoeften, het totaal van zijn behoeften (waar natuurlijk zijn inbegrepen de behoeften van degenen die bij hem horen), kan bevredigen, net zo lang tot hij opnieuw eenzelfde product heeft vervaardigd. Deze formule is, zo abstract als zij is, toch uitputtend. Het gaat er bij het opstellen van formules juist om, dat ze werkelijk alle concrete bijzonderheden omvatten. En ik ben van mening dat voor de economie deze formule werkelijk zo uitputtend is als bijvoorbeeld de stelling van Pythagoras uitputtend is voor rechthoekige driehoeken.”

Op deze wijze wordt dus wederom tot uitdrukking gebracht wat Rudolf Steiner als het belangrijkste beschouwt. Ik veroorloof mijzelf om van deze formule om te beginnen tweeërlei naar voren te brengen: Ze is geen loonformule, maar uiteraard een prijsformule. Als het een loonformule zou zijn, dan zou het in tegenspraak met de sociale hoofdwet staan. Want elke vorm van loonontvangst (en natuurlijk ook loonaanspraak) is zelfverzorging, dus beperking van de vrij stromende prestatieschenking. Deze beperking is een zodanige zowel met het oog op de oorsprong van de prestatie, dus de gezindheid waarmee de prestatie wordt verricht, alsook het doel van de prestatie, dus het effect daarvan. De overeenstemming van de formule met de sociale hoofdwet wordt inzichtelijk, indien men zich voor ogen houdt dat immers in feite loonontvangst een versluiering van de daadwerkelijk gang van zaken is, omdat de ondernemer van de arbeider niet diens arbeid, maar het door deze vervaardigde (deel)-product koopt.

De prijsformule is een toekomstformule. Ze is niet retrospectief op de voorafgegane, maar prospectief op de toekomstige behoefte gericht. Dit is in de zin van de steeds het thema vormende wetenschappelijke fluctuatie, die niet door starre maar slechts door beweeglijke begrippen te vatten, te begrijpen is. Het wezenlijke gezichtspunt is hierbij toch het volgende:

Rudolf Steiners geldbegrip

De betekenis van de toekomstwaarde van de prijsformule kan alleen in samenhang met Rudolf Steiners geldbegrip worden begrepen. Volgens dit geldbegrip wordt de equivalentie van geldwaarde en goederenwaarde vereist. Dit betekent dat het geld in de gelijkloop met het verbruik zijn dekkingsmiddel in waarde doet dalen. Daar nu de toekomstig geïndexeerde prijsformule een behoeftevoorzieningsformule is, betekent dit dat de betreffende behoeftevoorzieningswaarden a) een met de vervangingstijd overeenkomstige looptijd, b) een met de vervangingswaarde overeenkomstige waardehoogte moeten vertonen.

De prijsvorming is dus een van de gezichtspunten waaronder in de cursus de hoofdvraag wordt beschouwd. De prijsvraag wordt uitdrukkelijk als de kardinale vraag gekenmerkt: “De kardinale vraag is de prijsvraag.” Een ander eveneens in de cursus voorkomend gezichtspunt is de sociale hoofdwet, dat ook in de cursus onder de verwijzing naar de arbeidsdeling en onder afwijzing van elke vorm van zelfverzorging in verschillende wendingen voorkomt. Ik hoef het nu niet nogmaals te herhalen. Een verdere toelichting van de kardinale vraag, die van heel beslissende betekenis is, gebeurt met het oog op het vrije geestesleven:

“Wanneer u zich namelijk dit vrij geestesleven ook werkelijk bevrijd denken in het sociale organisme, zo dat daadwerkelijk altijd de vaardigheden zich vol ontwikkelen kunnen, dan wordt juist dit vrij geestesleven in staat om een buitengewoon vruchtbare invloed uit te oefenen op het halfvrije geestesleven, op datgene geestesleven dat in het materiële werkzaam is. En daar, indien we dat bestuderen, begint de zaak een geheel economische kant te krijgen.“

 Het onderscheid tussen het vrij en halfvrije geestesleven

Belangrijk hier is het onderscheid tussen het vrij en halfvrije geestesleven. Het halfvrije geestesleven is die vorm van geestelijke bezigheid die organiserend op het verloop van de veredelende arbeidsprestaties en de kapitaalinzet inwerkt. Het volledig bevrijde geestesleven is een zodanige dat zich met het onderzoek naar het geestelijke wezen van de mens en de wereld bezig houdt. Daarvan wordt gezegd dat het de menselijke vaardigheden tot volle ontplooiing helpt komen. Waarom deze werking zich voordoet zal men dan begrijpen, wanneer men zich ervan bewust wordt dat de mens in zijn kennen immers niet een kant en klare wereld afbeeldt (of tevergeefs probeert af te beelden), maar de werkelijkheid in zijn kennen doet ontstaan. Dit voert hij uit, doordat hij uit eigen innerlijke productiviteit tot het waarnemingsachtige bestanddeel van de werkelijkheid het daartoe behorend begripsmatige bestanddeel toevoegt. Daardoor en alleen daardoor geeft hij zich in zijn bewustzijn zelf een geestelijke inhoud, een zodanige inhoud die zijn eigen activiteit en tegelijk objectief is. Zijn eigen geestelijke wezen komt daar ter verschijning waar het subjectieve en het objectieve versmelten. En in het bewerkstelligen van deze versmelting ontplooit de mens zelfactief zijn geestelijke vaardigheden, brengt hij zichzelf voort. De ontplooiing van zijn vaardigheden, zijn zelfontstaan of te wel autogenese, neemt dus met zijn geestelijke kennis toe. Indien nu gezegd wordt dat met de vorming van deze basisvaardigheden ook zijn halfvrije vaardigheden toenemen (daar deze immers speciale metamorfoses van de algemene vaardigheden zijn) en daardoor de materiële economische resultaten in de meest gunstige wijze beïnvloed worden, dan zou het kunnen schijnen alsof hier wederom alleen met het oog op de economische efficiëntie wordt gesproken. Met de menselijke factor zou dan wederom geen rekening worden gehouden. Dit vermoeden kan men echter dan niet meer volhouden, indien men weet wat Rudolf Steiner onder het vrije geestesleven verstaat, welke inhoud hij die geeft. Ik heb dit reeds in verband met de andere uitspraken van Rudolf Steiner aangestipt die ik in het voorafgaande citeerde. Ik moet echter nog daarop terugkomen in welke zin daardoor naar een geenszins alleen kwantitatieve, maar in eminenteste zin kwalitatieve efficiëntie van het economische en sociale leven wordt gewezen. Deze hoogste doelmatigheid is uiteraard de herinvoering van de menselijke factor. Rudolf Steiner spreekt immers in vele van zijn voordrachten en in steeds nieuwe wendingen uit dat het basisbegrip van een sociale levenswijze het vrijheidsbegrip is. In wat voor speciale zin dit te verstaan is, daarop moet ik nog ingaan.

De verhouding tussen natuurlijke en geestelijke productie

Een verdere karakteristiek van de kardinale vraag die Rudolf Steiner in de cursus geeft, moet ik eindelijk nog inbrengen. Het betreft de verhouding van de aan de grond, dus aan de natuurlijke basis aanzettende productie, tot de geestelijke productie. Op deze verhouding, deze spanning (die uiteraard op beslissende wijze samenhangt met de prijsvorming) stelt Rudolf Steiner in steeds nieuwe overwegingen aan de orde. Uit de verschillende formuleringen die zich met dit probleem bezig houden, geef ik de volgende weer:
“En daarom is de allerbelangrijkste vraag met betrekking tot de prijsvorming: Hoe komen wij ertoe om de spanning in balans te brengen die bestaat in het tot stand komen van de prijs tussen de waardebepaling van de goederen die uit de vrije menselijk wil ontstaan tegenover degene goederen waarbij de natuur meewerkt. Hoe lossen wij deze spanning op? Hoe compenseren we de ene opwaartse tendens met de andere neerwaardse?”

Het is u, geachte aanwezigen, wellicht bekend welke uiterst belangrijke maatregelen en gezichtspunten Rudolf Steiner in deze context naar voren brengt. Staat u mij toe in het belang van een overzicht om van de hiertoe behorende aspecten tenminste het mijn inziens bijzonders belangrijke te noemen.

Prijsregulatieve sturingsmiddelen

De prijsstanden moeten in hun barometrische functie geobserveerd en beoordeeld worden. Dit is een van de belangrijke functies van de associaties. Hierbij moeten vooral de prijsvervalsende factoren onder de loep worden genomen. Die zijn talrijk. Een bijzonders storende, prijsvervalsende invloed oefenen in de huidige toestand van ons economische leven het zogenaamde krediet op onroerende goederen (die eigenlijk een irreële krediet is) uit evenals de niet-equivalentie van product- en geldwaarde of te wel de incongruentie van geldwaarden en de dekking van vlottend kapitaal.

De volgende prijsregulatieve sturingsmiddelen dienen volgens de opvatting van Rudolf Steiner toegepast worden:
Het impulseren van schenkingen aan het vrije geestesleven: persoonlijk krediet.
Lening aan het halfvrije geestesleven: persoonlijk krediet.
Beïnvloeding van de veredelingsefficiëntie door omleiding van de inzet van arbeidskrachten.
Verhoging of verlaging van de basisbehoefte door het aandeel aan het zogenoemde sociaal loon (geldordening, bodemrecht).

De valutakwestie

Met de kwestie van prijs hangt onlosmakelijk de valutakwestie samen. In de cursus wordt deze samenhang op de volgende wijze ontwikkeld:
“Daaruit zult u zien dat generlei soort van geld iets anders kan zijn dan slechts een uitdrukking van de som der bruikbare productiemiddelen die zich op een of ander gebied bevinden – waaronder natuurlijk vooral in eerste instantie de grond zal bestaan – de bruikbare productiemiddelen die in een gebied zijn, gereduceerd tot dat waarin ze zich het makkelijkst laten uitdrukken.”

Hieruit volgt het veredelingsquotiënt: Bodemoppervlak (Bo) gedeeld door Bevolking (Be), dat ook een valutaquotiënt is. Dat betekent enerzijds een bodemrecht in de zin van Plato, doordat elke bewoner van een territorium een recht heeft op een stuk grond, waarvan de grootte volgt uit de deling van de totale bodemoppervlakte door het bevolkingscijfer. Daar de vruchtbaarheid regionaal verschillend is, moet het hier natuurlijk om gemiddelde waarden gaan, en wel niet om gemiddelden qua vlakte maar vruchtbaarheid. Rudolf Steiner merkt hierbij op dat deze opdeling geen hypothetische is, maar een (tenminste tendentieel) daadwerkelijke, waarbij uiteraard er rekening mee moet worden gehouden dat er tegenover de steeds voorhanden gezonde tendensen van het sociale organisme ook steeds valse staan. Uit dit quotiënt volgt de in een overeenkomstig symbool uitgedrukte valuta-eenheid. Dat is een oerproductie-valuta die door de bewerkte natuur en de bruikbare productiemiddelen gedekt is (waarbij de bewerkte natuur het hoofdproductiemiddel is).

Daarmee heeft Rudolf Steiner de hoofdvraag van het economische leven gekarakteriseerd:
“En dat wij daar niet op iets terug hoeven te vallen wat totaal onbepaald is, zult u inzien wanneer u dus terugvolgt alles tot diegene waarderelatie die voor de arbeid aan de grond wordt gedaan door de relatie van het bevolkingscijfer tot het bruikbare bodemoppervlak. In deze relatie vindt u wat oorspronkelijk aan de waardevorming ten grondslag ligt, omdat alle arbeid die verricht kan worden alleen van het bevolkingscijfer kan komen, en alles waarmee zich de arbeid kan verbinden uit de grond moet komen; want dat is wat een ieder nodig heeft, en degenen die het besparen wegens hun geestelijke arbeid, voor hen moeten het immers de anderen presteren; daarom komen we hier tot datgene wat aan de economie ten grondslag ligt.”


Korte samenvatting

Ik wil het zojuist enigszins geschetste beeld nogmaals kort samenvattend karakteriseren:

We hebben zojuist over het veredelingsquotiënt gesproken Bo: Be. Het omvat twee momenten, namelijk een bodemrecht, dat een valutarecht is, d.w.z. een recht op deelname aan de valutadekking. Dit recht is echter tegelijk een verantwoording, een valuta-ethos met het oog op de kwantitatieve maar ook kwalitatieve valutadekking. Hierop moet ik nogmaals terugkommen.

De vervaardiging, verzorging en inzet van productiemiddelen behoort tot de veredelingssfeer. Want productiemiddelen vanaf akker en bergwerk tot aan de microchips zijn immers elementen van het economische leven, waarbij niet hun eigen warenkarakter maar hun inzetbaarheid voor de productie beslissend is. Voor hun productie en verzorging moet leengeld ter beschikking staan, dus persoonlijk krediet dat echter hier het karakter van veredelingskrediet heeft. Ook dan wanneer in de zin van de sociale organica van Rudolf Steiner de productiemiddelen eigendom of afdelingen van de associaties zijn (in dit geval van hun geestelijke sector: ze strekken zich echter uit over alle drie geledingen van het sociale organisme), heeft hun overdracht naar een passende persoon met bevoegingsrecht het karakter van een persoonlijk krediet. Want deze verplicht zich door de ontvangst van het verleende vertrouwen tot een waardevormende tegenprestatie. De geldigheidsduur van het dekkingsmiddel is van de gebruiksduur ervan afhankelijk.

Een tweede valutasoort
Er zijn, voor zover ik zie, in de zin van de sociale organica van Rudolf Steiner nog andere valutasoorten. En daarna te verwijzen lijkt mij in onze context noodzakelijk. Hoe deze tweede valutasoort te karakteriseren is, volgt uit het voorafgaande. We hebben gezien dat de behoeftedekkingsprijs een toekomstgeoriënteerde tegenprestatie moet zijn die op vervangingsarbeid gericht is en door deze gedekt moet worden. Op grond van haar toekomstoriëntatie heeft ze eveneens het karakter van persoonlijk krediet. Haar dekking is de vervangingsarbeid. Haar geldigheidsinterval (de vervangingscyclus) is daarom dienovereenkomstig korter dan die van de veredelingsvaluta. Hier heeft men echter niet met een veredelingsvaluta maar met een organisatievaluta te maken. Want bij de warenproductie staat de organisatie-inzet tegenover de veredelingsinzet bij de bewerkstelliging van productiemiddelen in de voorgrond. Want de warenproductie vindt plaats op de grondslag van de inzet van productiemiddelen, dus van een reeds plaatsgevonden veredeling. Natuurlijk werken in beide gevallen veredelings- en organisatiearbeid samen. Het komt erop aan welke der beide componenten zwaarder weegt. We hebben dus bij de toekomstgeoriënteerde behoeftedekking met een organisatievaluta te maken die eveneens het karakter van persoonlijk krediet heeft. De looptijd daarvan is overeenkomstig het kortere vervangingsritme overeenkomstig korter dan die van de veredelingsvaluta. Het quotiënt daarvan is niet Bo:Be maar waren (Wa) gedeeld door geld (Ge), dus Wa:Ge. Want de waren zijn des te goedkoper, d.w.z. des te waardevoller, hoe meer in geld uitgedrukte organisatiearbeid (dus besparing van veredelingsarbeid) op hen toegepast werd. Dat door het organisatieaandeel de vervangingscyclus verkort wordt, vermindert de behoeftedekking niet, daar deze enerzijds in de tijdeenheid in principe constant blijft – anderzijds kan de vervangingsinzet voor het goedkopere product zelfs hoger worden gewaardeerd.

Een derde valutasoort

Maar nu is er nog een derde valutasoort. Dat is de vrijheidsvaluta. Deze komt door de schenking aan het vrije geestesleven tot stand. Ook deze heeft het karakter van persoonlijk krediet. Want zij komt voort op grond van het vertrouwen in de vrije individuele productiviteit van de in het gebied van het geestesleven actieven. Ook hier gaat het om een valutavorming, omdat vanuit de geestelijke productiviteit in feite de vruchtbaarste waardecreatie binnen het sociale organisme voortkomt. De valutadekking, dus het aflossen van het krediet vindt hier niet plaats door een veredelings- of oerproductieprestatie, ook niet door een organisatie- of vervangingsprestatie. Veeleer werden de waarden die naar het vrije geestesleven toestromen aan het veredelings- en organisatieproces onttrokken en ook niet direct door veredelings- en organisatieprestatie geamortiseerd. Veeleer verliezen ze in de zin van deze prestaties hun waarde. In plaats daarvan treedt de waarde van de vrije geestelijke prestatie die pas indirect op de veredelings- en organisatieprestatie terugwerkt.

In deze zin kan men naar een drievoudige valutavorming kijken die in alle drie gevallen op persoonlijk kreditieve wijze ontstaat. Van deze valutavormingen hecht Rudolf Steiner aan de door vrijheid ontstaande de grootste betekenis. Ik geef hier nogmaals een citaat uit de cursus:
“Hoe moeten we in economische zin kopen en verkopen opdat datgene binnen het geestelijke gebied aan waarde verdwijnt wat binnen het zuiver materiële gebied aan voedingswaarden wordt vervaardigd? Dat is de grote vraag. Ik formulier het nogmaals: Naar welke soort van betaling in het economische verkeer moet er gestreefd worden opdat steeds binnen de geestelijke instituties datgene verdwijnt wat vervaardigd wordt door de bewerkte natuur daar waar de productie werkt voor de voeding voor de mensheid? Dat is de grote economische vraag…”

Voedingswaarden en vrijheidswaarden staan dus tegenover elkaar.

Het vrijheidsbegrip als basisbegrip van het sociale leven

Dat is dus de grote vraag en die hangt op de innigste wijze samen met de andere waardebepaling van Rudolf Steiner volgens welke het vrijheidsbegrip het basisbegrip van de sociale levensinrichting is.

Dat betekent tweeërlei. En dit tweevoudige heb ik deels door mijn uiteenzettingen geprobeerd duidelijk te maken. Het vrijheidsbegrip is enerzijds in de zin van efficiëntie het basisbegrip van de sociale levensinrichting. Want alleen wanneer in de zin van het zojuist aangegeven citaat voldoende geld naar het vrije geestesleven toestroomt, dus vrijheidsvaluta ontstaat, is een sociaal gezond potentiaal aan productie- en waardevorming gegarandeerd. Dit hangt samen met de waarde-equivalentie van het geld samen. Want wanneer onder het gebruik van niet-valutagedekt geld, waarvan de bezitters op grond van de waardevormende prestatie door andere mensen zonder eigen waardevormende prestatie hun behoefte kunnen dekken, worden er productieve krachten aan het sociale organisme onttrokken en weliswaar de allerproductiefste krachten, wanneer daardoor het vrije geestesleven in nood verkeert.

Het vrijheidsbegrip is echter nog vanuit een ander gezichtspunt het basisbegrip van het sociale leven. Het is duidelijk dat het deze betekenis moet krijgen met het oog op de menselijke factor, dus de zinstichting van ons bestaan. Tot nu toe kon het voorkomen alsof alle overwegingen en alle aanbevolen maatregelen slechts aan de economische efficiëntie waren gewijd. Dienovereenkomstig schijnt de vraag naar de zin van economische activiteit van de mens en daarmee meer in het algemeen de zin van ons leven onbeantwoord te blijven. Mocht er op deze vragen geen antwoorden en op deze overeenkomstige maatregelen zijn, dan blijft alles wat op het sociaaleconomisch gebied ondernomen wordt onbevredigend, omdat het geen solaas biedt tegen de zinloosheidmalaise die de gemoedstoestand van een groot deel van de huidige mensheid uitholt.

Nogmaals een korte samenvatting
Laten we om te beginnen nog eenmaal kort mijn samenvatting bekijken van enkele van de belangrijkste uitingen van Rudolf Steiner over wat hij als het centrale element van het economische en sociale leven beschouwt.

Ik begon door erop te wijzen dat het grootste euvel van onze tijd, namelijk de ontbrekende toekomstvaardigheid, zich in twee basissymptomen manifesteert, waarop de talrijke wanprestaties teruggaan die we alle kennen. Deze beide symptomen zijn het vooruitlopen op de waardebepaling van de materialistische wetenschap en de wetenschapsafhankelijkheid van sociale waardebepalingen. Daaruit volgt het fundamentele euvel van onze tijd, namelijk de gebrekkige toekomstvisie en toekomstvaardigheid. Dit gaat terug op de uitschakeling van de menselijke factor, omdat het immers de mens is, wiens innerlijke en uiterlijke levensvoorwaarden in het sociale leven geschapen moeten worden. De materialistische wetenschap is echter niet in staat om de mens te zien, maar ook elimineert ze hem met ijzeren consequentie uit een onmenselijk voorgestelde wereld.

Alleen wanneer het mogelijk is de menselijke factor weer in het sociale leven in te voeren, kan daarom het diepe leed van onze tijd verlicht en het dreigende onheil verbannen worden.

Daarna heb ik geprobeerd aan de hand van enkele citaten te achterhalen hoe deze zo belangrijke vraag in het werk van Rudolf Steiner voorkomt.

Ik ging uit van de merkwaardige dubbeltegenspraak waarin de individuele en de in de zin van het economische succes noodzakelijk collectieve belangen terechtkomen, indien deze alleen binnen het economische leven beslist worden. Elke van deze beide belangenrichtingen moet dan in een zelfparalysiering omslaan. Alleen wanneer men de systemen van het sociale organisme verzelfstandigt, kan het probleem opgelost worden hoe het individuele belang algemeen werkzaam en het collectieve belang individualiserend werkzaam kan worden. Want de vrije geestelijke bezigheid leidt naar de beste ontplooiing van de menselijke vaardigheden en voert daarom een zo hoog mogelijke graad van productiviteit toe naar het sociale organisme. En de collectieve prestatie van de dienst aan de ander (vreemdendienst) is individualiserend werkzaam, omdat ze andermans vaardigheden en terechte belangen doorgaans bevordert. Uit de door beraadslaging bereikte sturingsvaardigheid van de krachten van het sociale organisme in de zin van een samenspel van deze beide functies ontstaat de beste algemene voorziening met levensbehoeften die in de rechtvaardige prijzen tot uitdrukking komt.

We hebben daarna gevolgd hoe deze karakteristiek van de driegeledingsidee in de kiem, maar op een nooit overtroffen lapidaire wijze in Rudolf Steiners vroegste sociaalwetenschappelijke uitspraken naar voren komt. De broederlijke wilsmpuls komt tot uitdrukking in de sociale hoofdwet, de gevoelservaring van de gelijke menselijkheid in alle mensen als grondslag van de rechtsgelijkheid in de meebelevende kennis van de geestelijke eenheid van de mensheid, en de impuls van vrijheid in de geestelijke wereldbeschouwing als de onoverwinnelijke en alleen betrouwbare bron van sociale welvaart.

In overeenstemming met de veranderde tijdsomstandigheden wordt in de cursus Wereldeconomie de driegeleding als een driespel van krachten binnen het economische leven ontwikkeld, namelijk enerzijds als organiserend halfvrij geestesleven, anderzijds als aan de productiemiddelen aanzettende veredelingsprestatie en verder het associatief gestuurde samenspel van deze beide arbeidsvormen als intern-economische rechtsvorming, die in rechtvaardige prijzen tot uitdrukking komt. Deze binneneconomische driegeleding wordt als het ware bestraald van het vrije geestesleven als de oerbron van alle productiviteit. De prijskwestie is dus hier de centrale vraag en met het oog op het bewerkstelligen daarvan worden de krachten van het sociale organisme onderzocht. Daaruit komen voort, zoals ik geprobeerd heb aan te tonen, drie valutasoorten: de oerproductievaluta, de vervangingsvaluta en de vrijheidsvaluta, overeenkomstig de aan deze gerelateerde persoonlijke kredietmaatregelen. Deze kunnen door sociaalorganische quotiënten gekarakteriseerd worden, namelijk het veredelingsquotiënt Bo:Be, het vervangingsquotiënt Wa: Ge dat ook een organisatiequotiënt is, en een quotiënt dat men voor de vrije geestelijke activiteit, de oerbron van alle productiviteit, op een bijna paradoxale wijze met Ge:0 kan opstellen, want door het verdwijnen van economische waarden in het vrije geestesleven, heeft deze activiteit immers voor het economische gebied de nulwaarde gekregen, en ontstaat in de geestelijke productiviteit een incommensurabele grootte, waarvan de waarde pas indirect door haar aansporing van het halfvrije geestesleven en de veredelingsprestatie weer bepaalbaar is.

Dit waren de drie zienswijzen die de kardinale vraag moesten toelichten. De eerste was een geestelijke, een ideële, want het betrof de oplossing van de tegenspraak waarin de ideeën van het individuele en het collectieve terechtkomen, indien ze niet door de driegeleding van het sociale organisme de ontplooiingsruimte krijgen die ze voor hun gezonde ontwikkeling nodig hebben. De tweede zienswijze was een zielsmatige, want die toonde aan hoe in de menselijke zielenvermogens van het denken, voelen en willen de kiem van de driegeledingsidee te vinden is. De derde zienswijze was een economische, want dei zette uiteen hoe in de vorming van rechtvaardige prijzen alle economische krachten kunnen en moeten samenvloeien.

De nog steeds open vraag naar de menselijke factor

Nog steeds echter blijft de vraag open in hoever in deze formuleringen de hoofdvraag een antwoord op de ene, allerbelangrijkste vraag, de vraag naar de menselijke factor is gegeven.

Om deze vraag beantwoorden te kunnen, moeten we een ogenblik van deze sociale en economische zienswijze afzien, om daarna met des te beter inzicht daarnaar terug te keren. We moeten om te beginnen het unieke van de bewustzijnshouding van de huidige geciviliseerde mensheid voor ogen stellen. Deze bewustzijnshouding wordt door Rudolf Steiner als bewustzijnsziel gekarakteriseerd. Ik kan hier natuurlijk alleen de voor onze behoefte essentiële aanduidingen geven. De moderne bewustzijnshouding is door een vroeger niet voorhanden verhouding tot het denken, tot de geestelijke wereld gekenmerkt. De mensen van vroegere tijdperken beleefden het goddelijk-geestelijke als een soort waarneming van iets bovenmenselijks. Het verscheen aan hen weliswaar als iets waaraan ze een zekere geestverwantschap beleefden, maar toch absoluut hun superieur, iets waartoe ze geen vrije relatie hadden en konden hebben. Ze beleefden zich als de schepsels van machten, wier geboden en raadgevingen ze gehoorzamen moesten, die ze vereren, op wier hulp ze hopen en ervoor smeken konden en wier heilige toorn ze moesten vrezen. Nadat het waarnemingsachtige beleven van de gebiedende macht ophield, verbleef toch nog steeds de overlevering die ervan gewag maakte en waaraan men zich gelovig wijdde. Voor de bewustzijnshouding die door de materialistische natuurwetenschap naar voren gebracht werd is deze overlevering slechts van historische betekenis. Daar tegenover staat een geest-, zielen- en levenloze werkelijkheid. Geest, ziel en leven zijn voorstellingen die het menselijke gemoed mogen bevredigen, maar waarvan echter geen werkelijkheid in overeenstemming is. En inderdaad is de wereld van ons objectbewustzijn een dode, zielen- en geestloze, indien wij ons deze als een kant en klare, ons tegenoverstaande werkelijkheid beschouwen, zoals de natuurwetenschap dat inderdaad doet. De wereld die wij als een kant en klare tegenover ons staande beschouwen is een volledig dode. De natuurwetenschappelijke kenniswijze is door haar materialistische basisinstelling de lerares op weg naar deze van al het uiterlijke radicaal onderscheiden bewustzijnszelfstandigheid.

De eerste eigenschap van deze bewustzijnshouding is de verzelfstandiging. We zijn in staat de opbouw van de gestalten van onze objectieve wereld zielsmatig te observeren.

Daaruit komt een totaal nieuwe verhouding tot de geestelijke wereld en tot onze eigen geestelijk wezen voort. We zijn niet meer alleen de ontvangers van de geest, zoals de natuurwezens, maar de producenten daarvan. Pas daardoor geven wij onszelf de menselijkheid die daarvoor slechts als aanleg in ons sluimerde. De geestelijke wereld zelf krijgt echter daardoor ook een nieuwe bestaansvorm.

Wij worden daardoor echter ook vaardig om de wereld die tot nu toe een indrukwereld was in een uitdrukkingwereld, [d.w.z. een participatiemaatschappij]  te transformeren.

Daaruit volgt echter pas het zingevingsaspect dat de economische efficiëntie pas als menswaardig en überhaupt strevenswaardig doet verschijnen.

De zin van het aardse bestaan: een nieuwe evolutiefase van de geestelijke wereld
De zin van ons bestaan is de zelfverwerkelijking van ons geestelijk wezen en daarmee het inluiden van een nieuwe fase in de evolutie van de geestelijke wereld. Dat is de oerproductie. Ze is een zodanige die alleen in een volgorde van incarnaties volbracht kan worden. Dit kan ook aangetoond worden. Productiebewustzijn is reïncarnatiebewustzijn met de zingeving van het inluiden van een nieuwe fase van de geestelijke evolutie. Dit betreft het vrije geestesleven.

De uitdrukkingscheppende inrichting van de wereld om ons heen, de vormgeving van het milieu, betreft de veredelende waardevormingprestatie. Diens taak is het om de fysiologische grondslag van de vrijheid te scheppen (kwalitatief). In zover zijn de mensen in een gemeenschappelijk natuurlijke lotsverbondenheid ingebed en helpen zich broederlijk daaruit hun individueel lot uit te werken. Door het lotsbewustzijn krijgt de veredelingsarbeid haar zingeving. Dat deze door het lot bepaalde zinstichting bestaat, blijkt uit het zinsgehalte van het vrije geestesleven. Want dat houdt in dat de geestelijke wereld in de mens en door de mens een nieuw ontwikkelingstoestand wil bereiken. Daarom geeft ze de mensheid in het aardse bestaan een lotsgrondslag die dat mogelijk maakt. Dat is de zin van aards bestaan.

Het halfvrije geestesleven heeft naast de medewerking aan de fysiologische grondslag van de vrijheid door de besparing van veredelingsarbeid, dus door organisatie van de waardevormingprestaties, door arbeidsbesparing de vrijruimte voor het vrije geestesleven te scheppen. Daardoor ontstaat de zin voor het recht ten behoeve van elk mens (rechtsgelijkheid) om aan de schepping van een zodanig sociaal leven deel te nemen dat de gemeenschappelijke taak van de mensheid dient. Deze gemeenschappelijke opgave is enerzijds door de uiteenzetting met een dode wereld en de omvorming daarvan de volledige zelfstandigheid en vrijheid van het bewustzijn te bereiken, anderzijds vanuit deze vrijheid een nieuwe wereld te doen ontstaan. Een ieder heeft dus het basisrecht op schepping van de vrijruimte waarop allen recht hebben en waaraan allen dienen mee te werken.

Doordat in de sociale organica van Rudolf Steiner het primaat aan het vrije geestesleven wordt toegekend, doordrenkt een bevrijdende zingeving in de door hem ontwikkelde inrichting het hele sociale en economische leven

Dit geeft zekerheid voor de toekomst. Want de zinvolle zekerheid en het zinsgehalte bepalen de overal geldige maatstaf. Er bestaat geen sociale of economische maatregel die op en voor zichzelf betekenis kan hebben. Alle hebben slechts in zover betekenis dat ze hun zin vervullen en het hoogste productiedoel dienen, het voortbrengen van de vrije mens.

In de plaats van een “materialistische relatie” komt een “geestelijke, spirituele relatie”. Volgens de “materialistische relatie” wordt de veredelingsarbeid verricht ter bevrediging van de lichamelijke behoeftes en de geestelijke arbeid (vaardigheden) wordt alleen ingezet ter bewerkstelliging van de bevredigingsmiddelen. Volgens de “geestelijke relatie” dient de oerproductie (veredelingsarbeid) ter bewerkstelliging van de fysiologische grondslag van de vrijheid. Het vrije geestesleven geldt als de productiefste zingever in het sociale organisme. Door de sturing van de productiestromen ontplooit zich de intern-economische rechtsvorming en schept deze de vrijruimte voor de werkzaamheid van het vrije geestesleven.

Gezichtspuntenvoor het handelen in het hier en nu
Deze gezichtspunten resulteren in de vormgeving van een echt d.w.z. waarlijk menswaardig sociaal netwerk van kleine centra voor spiritueel onderwijs op gezonde agrarische of ambachtelijke basis, welke recht doen aan de naar twee kanten georiënteerde zingeving van het menselijke bestaan. De ene kant van deze zingeving en zinvinding is het verkrijgen van een klaarwakkere bewustzijnszelfstandigheid door de confrontatie met een dode wereld. – De andere kant is de ontwikkeling van een opstandingsbewustzijn uit de dood door de menswording van de geestelijke wereld en de spiritualisering van de aardse wereld op basis van de menselijke vrijheid, waardoor de zin van het aardse bestaan wordt vervuld.




[1] Met “wij” werden hier, zoals boven vermeld, de reeds met de antroposofie vertrouwde  aanwezigen aangesproken ; voor  anderen kan deze zin als dogmatisch voorkomen, maar men zou een oordeel hoerover in de wacht moeten stellen tot minstens het einde van dit betoog inclusief de verwizjingen naar ondersteunde  literatuur.
[2] Bedoeld hier zijn de twee mogelijke economische waardevormingen W1, arbeid toegepast op de natuur, en W2, geest toegepast op de arbeid. Zie meer daarover in het voorwoord van de Duitse uitgever en de verdere hoofdstukken van deze publicatie.
[3] Graham Greene’s contraspionage thriller The Human Factor verscheen in 1978 en werd als De privé factor in het Nederlands vertaald.
[4] Rudolf Steiner, “Die Kardinalfrage des Wirtschaftslebens”, GA 79, niet vertaald. 
[5] Rudolf Steiner, “Antroposofie en het sociale vraagstuk”, GA 34, Zeist, 1982
[6] Vertaald als “Eenzaamheid en vervreemding – hoe kunnen de psychische problemen van deze tijd overwonnen worden?” Zeist, 1983.
[7] Dit is het tijdperk na het Atlanticshe dat ongeveer 10.000 jaar geleden na de grote zondvloed begon en waaraan drie andere tijdperken vooraf gingen. Zie daarover ‘De wetenschap van de geheimen van de ziel”, een basiswerk van Rudolf Steiner.
[8] Rudolf Steiner, Wereldeconomie, Hesperia, Rotterdam 1986, reeds lang uitverkocht
[9] Rudolf Steiner, De kernpunten van het sociale vraagstuk, Zeist 2004, eerste uitgave verschenen in 1919.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen